Bijkomende onderdelen en hun invloeden

Excentriciteit

De rijdraden schuiven heen en weer op de stroomafnemer. Zo raakt die minder snel beschadigd, want de rijdraden 'snijden' niet altijd op dezelfde plaats. Om die schuifbeweging te kunnen maken, worden de rijdraden excentrisch opgehangen. Meestal wordt er gekozen voor een excentriciteit van 40 cm [+20, -20], de afstand tussen het midden van het spoor en de ophangpunten van de bovenleiding. De rijdraden worden zijwaarts getrokken met richtstangen die vrij op en neer kunnen bewegen.

Verankeringen

De lengte van de rijdraden wordt omwille van onder andere uitzetting beperkt, waardoor er na een bepaalde afstand nieuwe rijdraden moeten komen. Daarom wordt de volgende constructie opgetrokken:

  • De twee paren rijdraden lopen parallel naast elkaar over een bepaalde lengte.
  • Elk paar wordt telkens verhoogd en verankerd op een spantoestel.

Verkanting

Verkanting treedt op in bochten wanneer één van de sporen waarop de trein rijdt lager ligt dan de andere rail. De verkanting wordt ook gebruikt om de richting van de bocht aan te geven:
  • positieve waarden bij een verkanting in een bocht naar reschts (met normaal R>0)
  • negatieve waarden bij een verkanting in een bocht naar links (met normaal R<0)